|
Ik houd hier wat toezicht, haal het havengeld op,
schrijf de bonnetjes voor de passanten uit en help bij het watertanken.
Deze zomer is het al weer veel drukker dan verleden jaar. Toen had ik op
dit stukje van de Zijlroede – tussen de brug en de grote gemeentelijke
jachthaven – 639 overnachtingen. Nu zijn we al boven de achthonderd.
Het is plezierig met al die mensen om te
gaan. Maar je klanten en klanten. Er zijn verrekte domme lui bij die
watersporters. Die kunnen nog geen tros vastmaken. Je kunt altijd zien
wie gewend is om auto te rijden. Dan komen ze met de boot bij de pomp en
dan vergeten ze vast te maken. Dan zeg ik, dat is een autobestuurder op
het water. Maar dan waait zo’n boot weg natuurlijk.
Ik krijg ook wel eens lastige mensen. Laatst nog vier kerels. Ze waren
zo dronken als kruiwagens. Zij zeggen: wij hoeven u niet te betalen. Wie
denkt u wel dat wij zijn? Ik zei: ik zie het al; burgemeester en
wethouders van Schiedam. Maar het is hier vaak ook erg plezierig. Eens
was hier een jongejuffer met haast niks om het lijf. ,,Twa bûsdoekjes,
mear net”. Een oude dame zei toen tegen mij, dat ze het aanstootgevend
vond. Nou, ik loop even tegen die juffrouw aan zeg: nou mevrouw, ik heb
me daar niet aan gestoten.
Er komen hier veel Duitsers. Die hebben op de anderen
voor, dat ze doen wat je zegt. Als ik zeg, dat de boot aan die en die
paal moet worden vastgelegd doet een Duitser dat. Maar als ik dat tegen
een Lemster zeg antwoordt hij: Hwat hastou der mei noadich.
Ik krijg ook veel kaarten van de Duitsers, voorla met
Kerstmis en Nieuwjaar. Ze komen uit de hele wereld. Dat komt omdat de
Duitsers net als de ooievaars ’s winters naar warmere streken trekken.
De ooievaars komen niet terug. Maar de Duitsers wel. Ze vinden het hier
mooi. En dat vinden wij ook. ,,Wy fiele ύs hjir thύs en wy wolle dit
plakje net graech misse”, aldus Nederlands oudste havenmeester.
Archief Leeuwarder Courant
23 sept. 1974
|