|
De winkel in Sondel was door zijn vader opgewerkt en van
alles wat in een dorp nodig was werd
er in verkocht; kruidenierswaren, manufacturen, brandstof, drogisterijartikelen,
fourage. De fouragehandel was door een broer overgenomen, de rest door Koos. De
handel zat de hele familie in het bloed, de handel met z’n drukte, geroep,
beweging, praten, organiseren en argumenteren. Maar Koos was niet van plan om
zijn leven lang in de winkel te Sondel te slijten; hij bekwaamde zich voor een
administratieve functie met organisatorische kanten. Maar ondertussen behartigde
hij zijn zaak goed, de zaak die voor een groot deel de omzet haalde met uitbreng
in een wijd rayon. En daardoor kende hij de gemeente Gaasterland als zijn
broekzak.
Dat maakte hem zo geschikt voor het illegale werk. Koos
stak zijn afkeer van de Duitsers niet onder stoelen en banken, zodat hij door
iedereen vertrouwd werd als vaderlander. Toen dan ook een jonge dominee uit
Holland plaats zocht voor een stel joden, vroeg hij Koos. Het was in 1942 en het
kwam spoedig klaar. Dit was het begin, maar spoedig volgden er meer. Sjouke van
Joure was begonnen met het afvoeren van joden, eerst vooral kinderen, uit
Holland. Al spoedig hadden beide mannen een warm contact tot heil van de
vervolgden. Een onderduiker uit de omgeving van Sneek, ,,Homme”, was een
tijdje in Beverwijk geweest, maar daar was het nog groter heksenketel dan in
Friesland. Hij kwam terug en dook, tot het einde van de oorlog, onder bij Koos.
Joden, die daar niet meer veilig waren, kwamen naar Gaasterland en werden vanuit
Sondel verzorgd. En natuurlijk waren er talloze andere onderduikers, zoals Jan
Schotanus uit Oudemirdum, die geruild werd tegen die uit andere plaatsen. Zij
allen moesten van bonkaarten en andere papieren worden voorzien. Het werd
langzamerhand een heel bedrijf.
Verraad
In Sondel was een moffenkamp met radarapparatuur enzovoort.
De Duitsers die zich daar ophielden, waren tamelijk ongevaarlijk voor het
illegale werk. Zij wisten wel dat er onderduikers waren en kenden zelfs
adressen, doch verraden deden ze niets, zolang er geen sprake of schijn was van
militaire sabotage. Maar onder de Nederlanders bleek wel een verrader te zitten. Eind
april ’43 moesten de Nederlandse militairen zich weer in krijgsgevangenschap
begeven. Gesteund door de meistaking dacht Koos er niet aan om zich te melden.
Onderduiken vond hij ook onnodig – alles leek hem veilig. Een half jaar lang
was dat ook het geval.
Maar op 5 november ’43 meldde zich een Duitser in de
winkel, die vertelde opdracht te hebben de voormalige sergeant J.J. Boomsma mee
te nemen naar De Lemmer – als krijgsgevangene. Koos stond de man zelf te woord
en vertelde hem dat hij zich vergiste. Er woonden veel Boomsma’s in Sondel en
de sergeant die hij moest hebben woonde vijfhonderd meter verderop. De
plaatsaanduiding was heel precies, maar toen de mof daar kwam stond er geen
huis. Hij terug, maar ,,toevallig” was Koos toen net even weg.
De Duitser, die overigens de kwaadste niet leek, was
woedend dat hij bij de neus was genomen. Mevrouw Boomsma keek heel onschuldig:
nee, zij wist niet waar haar man heen gegaan was.
Een knecht die terugkwam, wist het evenmin. De Duitser brieste en wilde
mevrouw meenemen toen het wachten hem verveelde. Op dat moment kwam de dokter,
door Koos gewaarschuwd. De Duitser liet mevrouw geen ogenblik alleen, maar toch
wist de dokter haar toe te fluisteren: Ga een tijd van huis. Dat wilde zij ook
wel, want haar zoontje moest geopereerd worden. De dokter onderzocht het opnieuw
en wist de Duitser over te halen mevrouw thuis te laten om het zieke kind.
Diezelfde avond nog werden vrouw en kind naar Leeuwarden gebracht, waar ze
bleven tot het volledige herstel van Piet.
Het was aan alle kanten duidelijk, dat Koos verraden was.
Een Duitser zei tegen zijn vrouw: U zou er van opkijken als u wist wie het
overbriefde, maar hij noemde geen naam. De dader is nooit met zekerheid bekend
geworden, maar vermoedelijk is het geen NSB-er geweest.
Naar Sneek
Terwijl zijn vrouw
met toegewijde hulp de zaken voortzette, dook Koos onder op een bevriend en
veilig adres in Sneek. Nu kon hij zich helemaal wijden aan het illegale werk en
hij deed dat met inzet van zijn volle, sterke persoonlijkheid. Spoedig viel hij
op om zijn organisatievermogen en leiderstalent.
Hij kwam precies op tijd. Juist toen hij ingewerkt raakte,
werd U. Boonstra te Joure
gearresteerd en moest Sjouke duiken. Van een afstand probeerde die het werk nog
wat te regelen, maar zijn voornaamste zorg was opvolgers te vinden. Zijn
oomzegger kreeg de leiding van de KP (Knokploeg)
en die van de LO kwam grotendeels op Koos’ brede schouders terecht. Het
ging, zoals het steeds ging in de illegaliteit. Een benoeming vond niet plaats;
men werd het, omdat men er geschikt voor bevonden werd. Al spoedig werd hij de
leider van het district Sneek genoemd, door de organisatie die zich principieel
tegen het leidersbeginsel verzette.
Maar het leiderschap van Karel – zo werd hij toen genoemd
en later, toen ook uit Drachten een Karel op het provinciale toneel verscheen:
Karel 1 - had ’n heel ander
karakter dan dat bij de NSB. Toen hij nog Koos heette, had hij door zijn
joviaal-gemoedelijk optreden zijn medewerkers in de zaak aan zich weten te
binden en tot zelfstandig optreden gestimuleerd.
In zijn omspringen met de illegale medewerkers deed hij
hetzelfde. Men herkende in hen de koopman, die met goed getroffen woorden tot
,,zaken” wist te komen. Nonchalant gemoedelijk sprong hij met de mannen om,
sloeg de één joviaal op de rug, beurde de ander met een stimulerende opmerking
op, maakte allen enthousiast, en wist de overmoedige op tijd ,,del te bêdzjen”.
Maar de teamgeest die hij op die wijze bevorderde, zou hij nooit bereikt hebben,
wanneer hij niet gelijkertijd telkens bereid was de mannen bij te staan en te
helpen in moeilijke of gevaarlijke opdrachten. Men wist dat men op Karel kon
rekenen en daarom werkte men zo hard voor en met hem.
Organisator
Zij grootste
talenten ontplooide Karel als organisator van het district. Tot dan toe was
alles uit Joure met de losse teugel geleid. Dat had in het begin goede vruchten
afgeworpen, maar door de uitbreiding van het werk tot een
,,bedrijf” moest er meer organisatie geschapen worden. Karel was er
juist de man voor om dit in te zien.
Het district Sneek omvatte 21 gemeenten. Die werden nu
ingedeeld in rayons, elk bestaande uit één of meer grietenijen. Het rayonhoofd
onderhield de contacten met Sneek en met de gemeentelijke en/of plaatselijke
contacten. Zoals elders ook was er een nauw en hecht contact met de KP-en die
over het district verspreid zaten. Koeriersters onderhielden de verbindingen.
Uiteraard volbracht Karel dit niet alleen. Hij was zo
gelukkig een kern van medewerkers bij zich te hebben, die stuk voor stuk ook
zelfstandig konden opereren. In zeker opzicht was dit goed ook,
want vanuit Sneek was alles beslist niet te dirigeren. De grondslag van
het verzet lag in de plaatselijke medewerkers, die terug moesten kunnen vallen
op een centrale, die de moeilijkheden uit eigen ervaring kenden. Daarvoor waren
velen nodig die ieder hun eigen bijdrage leverden aan het geheel. Ze waren er,
die felle mannen serieus en consciëntieus, die af en toe ook
wat gemoedelijke nonchalance van Karel ook corrigeerden.
Het is de grote verdienste van Karel geweest, dat hij al
deze uiteenlopende types die snel reageerden en voortvarend handelden tot een
efficiënt werkend team wist te vormen en te bewaren, gebaseerd op goede
persoonlijke verhoudingen. De moed, die hij als het er op aan kwam toonde en de
opgewekte toon die hij wiste te treffen, smeedde Sneek aaneen tot een hecht en
zeer zelfstandig district.
|
|
| 't steeds
gevaarlijker wordende Friesland. Bovendien was Karel nogal opvallend
door zijn lengte (bijna twee meter).
Dit systeem bracht niet wat men er van verwachtte. De
verhoudingen in de illegaliteit werden hoofdzakelijk bepaald door het
persoonlijk contact, waardoor men elkaars persoonlijkheid en kundigheid leerde
kennen en waarderen. Waren die voldoende, dan accepteerde men ook het
leiderschap. Dit contact ging nu verloren en dit werd al een groot bezwaar
gevoeld, vooral in Sneek, waar nieuwe mannen de leiding namen, die de
provinciale leiders nauwelijks persoonlijk kenden.
Dit passeren van het grootste district wekte bij deze
mannen ernstige ontstemming en spoorde hen tot des te groter inspanning.
Langzaam maar zeker ontstond een verwijdering. Dat voelde ook De Jong uit
Leeuwarden, toen die de leiding van de Friese LO in augustus overnam. Deze gaf
zich veel moeite om de oude vertrouwelijke samenwerking te herstellen. In een
onderhoud dat hij met het district voerde bleek, dat Karel geen rancune voelde
tegen Leeuwarden en kwam spoedig tot overeen stemming: de vertegenwoordigers van
de districten werden weer in de top opgenomen en daaronder Karel.
Het kwaad was echter al geschied, want spoedig kwamen andere leiders uit het district met het
bezwaar, dat Karel teveel tegen Leeuwarden aanleunde. Zij wensten eigen
voorzieningen, zoals op ’t gebied van de falsificatie en financiën en zetten
dit door op een voortreffelijke wijze. Maar deze onderlinge verschillen van
inzicht deden geen afbreuk aan de goede verhoudingen in het district. Karel
bleef de spil en voelde zich verantwoordelijk voor al z’n
vrienden,medewerkers. En het was juist de bezorgdheid over drie van hem, die de
aanleiding werd tot zijn dood, zoals nu zal blijken.
Drie man in arrest
In Hennaarderadeel zat verraad, het kon niet anders. Maar
wie was de verrader? Peter, Jaap en Gelf besloten een onderzoek in te stellen. De eerstgenoemde twee hadden
besloten hun wapens thuis te laten en toen Gelf zijn pistool wel bij zich
gestoken had, werd hem gevraagd dit ook in Bolsward achter te laten. Hij stemde
hiermee in, maar vergat iets. En dat bracht later de hele expeditie in gevaar.
In Hennaarderadeel opereerde in die tijd een afdeling Duitse Zoll (douane) die
sterke steun kreeg van de beruchte Mous, die door het veemgericht ter dood werd
veroordeeld en in Dokkum neergeschoten, en diens helper Van Dijk. De Duitsers
hadden hun kwartier gemaakt in een café in Wommels
en daar waren ook hun handlangers regelmatig bij hen. Vermoed werd, dat
daar de verrader ook wel kwam. In ieder geval werden afspraken gemaakt om
toezicht te houden en zo de aanbrenger te ontmaskeren.
Die nacht sliepen de drie mannen in Spannum. Er waren in die tijd telkens
veel Duitsers in actie, wellicht omdat zij een vermoeden hadden omtrent
wapendroppings op Pankoeken onder Witmarsum. Hoe dit zij, de volgende morgen
werden de illegale vrienden alle drie in Wommels
gearresteerd en voor verhoor meegenomen.
Het was op dat moment dat twee hunner zich realiseerden dat zij zeer bezwarend
materiaal bij zich hadden. Peter had een brief meegekregen voor een onderduiker
en twee persoonsbewijzen teveel op zak. En Gelf schoot het te binnen, dat hij
wel zijn pistool, maar niet zijn gevulde patroonhouder weggelegd had. Die zat
nog in een vakje in zijn beurs……
Wonderlijk bewaard
Natuurlijk begonnen de Duitsers meteen met ondervraging
en fouillering. Jaap kwam er goed af, die had niets bij zich. Een tijdlang ging
het ook met Gelf goed, totdat ze zijn beurs openmaakten. Hij stond doodsangsten
uit. Straks, dacht hij, vinden ze
wat ik door mijn vergeetachtigheid bij mij gehouden heb en dan is alles uit.
Niet alleen mijn eigen leven is dan verloren, maar eveneens dat van mijn beide
vrienden.
En toen gebeurde het wonder. Terwijl de onderzoeker van
de beurs één vakje daarvan had gecontroleerd, werd hij door de commandant
weggeroepen. Hij deed met gewoonte gebaar de beurs dicht en legde die op tafel.
Toen hij terug kwam zag hij er niet meer in. Kennelijk verkeerde hij in de
veronderstelling die al helemaal nagezien te hebben…..
Peter had ondertussen kans gezien de brief en de twee
overige persoonsbewijzen onder een
tafelkleedje te frommelen. Daardoor leverde fouillering ook bij hem niets op.
Toen hij weer bij dat tafeltje kwam, wist hij ze weer bij zich te steken. De
drie mannen werden afgevoerd naar een cel op het gemeentehuis, waar Peter meteen
begon met de bezwarende papieren op te eten. Uiteraard kon Gelf niet zo
gemakkelijk van zijn belastend materiaal afkomen. De mannen hadden juist weer
moed gegrepen, toen alles opnieuw misliep. Een boerendochter, bij wie Peter al
eens een gezellige zomeravond doorbracht, was getuige geweest van diens
wegleiding door de Duitsers. Meteen herinnerde zij zich de oude liefde en ze
besloot hem in de cel te verrassen. Ze maakte een pakketje levensmiddelen klaar
en verzocht de bewaker dat af te geven aan …..Havinga. dat was zijn werkelijke
naam, maar die was de Duitsers onbekend. Vandaar dat zij gevraagd werd even mee
te komen!
Reddend verhaal
Toen bij de cel Havinga geroepen werd, verroerde Peter zich
niet. Wel schoten allerlei gedachten door hem heen en hij vroeg zich af, wat de
Duitsers van Havinga wisten en hoe ze achter zijn identiteit gekomen waren. Lang
behoefte hij niet te wachten , want
de boerendochter, die inmiddels een vermoeden kreeg van wat er speelde, werd
geprest hem ondanks haar tegenzin aan te wijzen. En toen volgde een nieuw en
hardhandig verhoor. Hoe kon hij Havinga heten en een persoonsbewijs hebben op
naam van Smedema, aangevuld met beschermende papieren als vrijstelling van d
arbeidsinzet?
Het is niet te zeggen wat men in zo’n geval harder
doet: bidden of nadenken. Peter deed beiden tegelijk en had zijn verhaal op tijd
klaar. Hij vertelde de Duitsers dat hij inderdaad Havinga was. Toen hij een
oproep kreeg om zich voor het verrichten van persoonlijke arbeid te melden, was
hij bang geworden. Hij kon zo moeilijk van huis. Terwijl hij daar mee ompakte,
was hij onder Nijland een kennis tegen gekomen, een zekere Zijlstra, politieman
uit Franeker. Die had om zijn angst gelachen en gezegt dat hij hem wel kon
helpen.hij kon hem een absoluut betrouwbaar stel papieren leveren, maar de prijs
was vijfhonderd gulden. De koop was gesloten en nu meende Havinga volkomen
veilig te zijn, mits hij zich maar Smedema noemde.
Dat was het verhaal dat hij zo aannemelijk mogelijk
voordroeg en ook onder verdere mishandelingen volhield. Zijlstra was een goede
medewerker in Franeker geweest, maar hij had zich tijdig uit de voeten gemaakt,
toen het gevaar te dichtbij kwam. Een politieman die onderdook , had in de ogen
van de Duitsers toch al een doodzonde begaan en dus nam Peter de vrijheid daar
nog maar een schepje op te doen – Zijstra bleek dit achteraf ook volkomen
begrijpelijk te vinden.
Natuurlijk werd geprobeerd het verhaal te controleren, maar
Zijlstra bleef onvindbaar. De drie mannen waren inmiddels naar Leeuwarden
overgebracht en daar opgesloten, behalve wanneer Peter weer verhoord werd. Hij
kreeg drie dagen de tijd om zich nog maar eens te bedenken, maar hoorde daarna
niets meer. Bewakers zorgden weer voor contact met de buitenwereld. Tenslotte
werden de mannen op transport gesteld naar Drente, waar ze moesten graven. Twee
dagen later liepen ze weg naar Drachten en waren spoedig weer thuis en aan het
werk. En een van hem schreef aan zijn moeder: als ik later ongelovig word, ben
ik de ondankbaarste hond die er bestaat….
Karel gedood
Ondertussen had zich in Sneek een verschrikkelijk drama
afgespeeld. Een heel enkele keer kwam Karel een zondag thuis. Sinds hij
ondergedoken was, hadden de Duitsers geen inval weer gedaan en af en toe werd
het verlangen hem te sterk. Dan kwam hij ’s zaterdags bij donker thuis, bleef
de hele zondag binnen en verdween maandagmorgen in de vroegte weer.
Dat gebeurde ook op de morgen van 6 november. Ongehinderd
fietste hij naar Sneek. Normaal nam hij eerst polshoogte op zijn onderduikadres,
dat nog steeds veilig was. Nu dreef de bezorgdheid over zijn vrienden hem naar
een adres dat alleen voor dit doeleinde jongste informatie over Peter, Jaap en Gelf hoopte te krijgen. Ook dit was een adres dat alleen voor dit doeleind
gebruikt werd en overigens ,,schoon”
was.
|
|