Van 7 ton naar meer dan 2 miljoen liter

Hoe is 't met melkveehouder Ale Smink?


Maatschap Smink bouwde in 1983 een nieuwe ligboxstal want 130 koeien melken in een Friese stal is erg arbeidsintensief.
Het pas ingevoerde melkquotumsysteem betekende een behoorlijke beperking van de uitbreidingsmogelijkheden. Een kwart eeuw later laait opnieuw een discussie op. Ditmaal over de opheffing van het quotum.
 
In 1985 bezocht PlattelandsPost het melkveebedrijf van de gebroeders Hendrik en Ale Smink in het Friese plaatsje Sondel. Voor het weidebedrijf had de familie beschikking over 53 hectare.
Daarvan lag een groot deel rondom de boerderij. Geleidelijk groeide het bedrijf van 60 naar ruim 130 koeien.
“De koeien stonden aangebonden op een traditionele Friese stal met in het midden een looppad tussen twee gruppen. Allemaal handwerk, dus erg arbeidsintensief”, herinnert Ale Smink zich.

Vol vertrouwen werd geïnvesteerd in een ligboxstal. De stal had een capaciteit voor 151 dieren en werd uitgerust met een 2x6 visgraad melkstal, inclusief automatische afname.
 
Pietsje, Minke, Siemen-Cees en Ale (vlnr) met de (klein)kinderen Marte (links voor)
en Eeke Smink zijn trots op hun familiebedrijf.
Trots veranderde in teleurstelling toen de geruchten rond de invoering van een melkquoteringsysteem werkelijkheid werden. “Er rommelde van alles rond de superheffing.
De invoering van de melkquotering liep een grotere vaart dan gedacht”, vertelt Smink. “Hierdoor werd aan ons bedrijf een behoorlijke beperking opgelegd, want in eerste instantie werd ons quotum gebaseerd op slechts 105 koeien, de uitgangssituatie van het referentiejaar 1983.
Dat zou betekenen dat we slechts twee koeien meer konden melken.” Er werd onmiddellijk de noodklok geluid. “De interventie via een verzoekschrift had resultaat. We kregen gratis 60.000 liter extra quotum toegewezen.”

Huidige situatie
De historie van een kwart eeuw geleden is niet direct zichtbaar. Wel is de bedrijfsvorm nog steeds het traditionele familiebedrijf dat al enkele generaties zijn kracht heeft aangetoond, maar nu in een andere vorm. “Dat is de boerderij”, wijst Smink, “en daarachter woon ik nu.”
Samen met zijn zoon Siemen-Cees runt hij een melkveebedrijf met 130 melkkoeien tegenover het bedrijf waar hij in 1985 nog boerde. Siemen-Cees woont samen met zij vrouw en twee kinderen sinds een half jaar op het bedrijf. “Daarvoor waren de rollen omgekeerd, Siemen-Cees woonde verderop in ik op het bedrijf”, vertelt Smink.

Oude herinneringen komen boven. Dat de melkquotering weer zou verdwijnen, hield Smink tijdens de vorige bezoek van PlattelandsPost in 1985 niet voor mogelijk.
De veehouder verwacht echter niet dat het quotum in 2015, zoals aangekondigd, volledig wordt afgeschaft. Afschaffen van het melkquotum heeft volgens hem maar beperkt invloed op de mate van uitbreiding van individuele melkveebedrijven.
Vooral grond wordt dan de beperkende productiefactor. “Melkveehouders zullen in de toekomst niet onbeperkt melk produceren. Al wordt slechts een percentage meer gemolken dan de behoefte, dan keldert de prijs gigantisch en lijkt een koude sanering onvermijdelijk. Vooral onder bedrijven zonder reserves.”
 

De ondernemer verwacht dat het aantal melkveebedrijven de komende jaren verder afneemt. “Of een bedrijf bestaansrecht heeft, hangt vooral af van de economische aspecten. Gestegen kosten in combinatie met de lasten van eerdere forse investeringendrukken op de al lage resultaten. Veel bedrijven hebben daartegen weinig weerstand.”Desondanks is de familie optimistisch en voorzien ze voor hun bedrijf geen grote bedreiging.
“We hebben het best”, zegt Siemen-Cees lachend.

Nieuwe boerderij
De gebroeders Hendrik en Ale Smink boerden samen op één bedrijf. “Toen hebben we deze boerderij er bij gekocht”, vertelt Smink. Ik wilde graag zelf op een boerderij wonen.”
De Friese stal op het tweede bedrijf werd in 1990 vervangen door een ligboxstal. In de stal met een capaciteit voor 110 dieren werd ook het jongvee gehuisvest. Hendrik overleed in 1995. In dat zelfde jaar kwam Siemen-Cees bij de Maatschap.
Vervolgens bestond de maatschap tot het jaar 2000 uit twee boerderijen en vier leden. Ook twee zoons van Hendrik waren deelgenoot. Daarna is de gezamenlijke maatschap ontbonden. De oorspronkelijke boerderij is voortgezet door Hendriks beide zoons; zij melken jaarlijks een quotum van zo’n miljoen liter vol. Op het bedrijf van Ale en Siemen-Cees wordt een quotum van 1.025.000 liter volgemolken.
 


Melkveehouder Ale Smink vertelt over het bedrijf
waar hij als boer is begonnen.
  De ondernemers hebben al met al flink vooruit geboerd en zijn daar trots op. “In zekere zin zijn we gegroeid van zeven ton naar ruim twee miljoen liter melk”, concludeert Smink trots.
Het extra werk door groei is opgevangen door inzet van mechanisatie en efficiënte arbeidsmethoden. Inmiddels zijn er een jongveestal en werktuigenberging bijgebouwd. “Modernisering levert veel gemak en tijdwinst op”, beseft Smink.
“Het werk op de boerderij was vroeger fysiek belastend.
Het uitmesten gebeurde met de kruiwagen en we werkten met kleine baaltjes voordroogkuil.” De moderne ligboxstal heeft meer mogelijkheden. “Het handwerk is vervangen door trekkers en werktuigen, vult Siemen-Cees aan.

Stalvoedering
In totaal heeft het bedrijf 81 hectare land in gebruik. Daarvan is 11 hectare maïs. De huiskavel bestaat slechts uit 14 hectare. “Tot 60 melkkoeien hebben we weidegang toegepast, maar door de beperkte huiskavel is weidegang nu niet meer mogelijk.”
De koeien worden permanent op stal gehuisvest. Het constantere rantsoen en klimaat hebben een positief effect op de gezondheid en dierenwelzijn, menen de veehouders.  “Vooral tijdens warme dagen hebben koeien het in de koelere stal beter”, meent Smink. “Buiten gaan alle koeien op zoek naar schaduw en vertoeven met z’n allen op een kleine oppervlakte. Dat is funest voor de uier gezondheid. Mest, urine uitlekkende melk is een bron van infectie.”

Omdat de koeien buiten geen vers gras eten, wordt dat op stal gevoerd. Stalvoedering wordt dit jaar voor het eerst toegepast. Ondanks de extra arbeid is Smink optimistisch over het concept.
“Vers gras helpt bij het op peil houden van de melkproductie. Bovendien zijn de voerkosten lager”, verklaart de jonge ondernemer.
“Er zijn geen conserveringsverliezen, waardoor de voederwaarde hoger is. Wel is het zaak om vaak aan te passen. Het is belangrijk dat gelet wordt op de graslengte, weer en drogestofgehalte.”
   
Omdat de koeien wegens de kleine huiskavel permanent zijn opgestald, krijgen de
dieren vers gras op stal om de productie op peil te houden.

Betere uiergezondheid
Elke ochtend vertrekt vader Smink naar de boerderij om de koeien te melken. Twee jaar geleden is er een 2x12 zij-aan-zij melkstal geplaatst en daar zijn ze blij mee.  Dat melkt aanzienlijk sneller. Bovendien heeft de komst van de nieuwe melkstal geleid tot een betere uiergezondheid, volgens de veehouders.
“De achterste kwartieren van de uier bevatten de meeste melk. Omdat de koeien nu door de achterpoten worden gemolken, ligt de melkslang en het gewicht van het melkstel naar achteren. Hierdoor wordt de uier beter leeg gemolken”, verklaart Siemen-Cees.

Naast melken houdt Ale zich voornamelijk bezig met het insemineren van het vee en de coördinatie van de vruchtbaarheid. Daarbij krijgt hij stieradvies. Stieren als Paramount, Lucky Mike, Janson en Orcival zijn breed ingezet, laat hij weten.  “Momenteel gebruiken we vooral Franse stieren afkomstig uit sterke koefamilies, waarbij aandacht is voor goed exterieur en mooie gehalten. Het zijn solide allround stieren die weinig fouten kennen.

”Ook proefstieren worden veelvuldig gebruikt om de kosten laag te houden. Volgens Smink is vruchtbaarheidsbegeleiding een efficiënt middel om het economisch rendement te verbeteren en de tussenkalftijd beter te beheersen. Ook afwijkingen aan barmoeder en eierstokken worden hiermee opgespoord en behandeld.


Pasgeboren klaveren worden in iglo´s
gehuisvest.
 

Korte looplijnen
Efficiënt werken is de rode draad in een moderne bedrijfsvoering, vindt Siemen-Cees. Hij richt zich vooral op de bedrijfsverbetering en korte looplijnen, waardoor het bedrijf in de toekomst ook door hem alleen kan worden gerund.
Zo worden pasgeboren kalveren tot drie weken leeftijd in iglo’s achter de afkalfstal gehuisvest. Daarna komen ze in groepen op stro en naarmate de dieren ouder worde, schuiven ze door. In totaal zijn er vijf groepen kalveren.  Zodra ze dekrijp zijn, gaan ze naar buiten bij de stier.
De droge koeien worden in twee groepen gehouden. De eerste helft van de droogstand bevonden de koeien zich in de stal bij het jongvee. De tweede maand van de transitieperiode gaat de close-up groep naar de melkveestal, laat Smink zien. Zijn vrouw Pietsje, verzorgt de kalveren die op het bedrijf worden geboren.
“Het afkalfpatroon is vrij vlak. Er zijn dus het hele jaar door kalveren aan de melk en er is geen piek met veel kalveren. Qua werkverdeling en ruimte werkt dit het prettigst”, vindt hij.

“Daarnaast is de infectiedruk zo goed in de hand te houden.” Om problemen, zoals bijvoorbeeld aan de nageboorte blijven staan, melkziekte, slepende melkziekte en leververvetting, rondom  en na het afkalven te voorkomen, wordt aan de nieuwmelkten de eerste 70 dagen een brok met propyleenglycol verstrekt.

De gemiddelde melkproductie van de Holstein-Friese veestapel bedraagt 8500 liter met 4,33 procent vet en 3,40 procent eiwit en wordt geleverd aan DOC kaas in Hoogeveen. Een goede verbetering ten opzichte van vijfentwintig jaar geleden. Toen lag de gemiddelde melkgift per koe op 6400 liter met 4,19 procent vet en 3,47 procent eiwit, zo blijkt.
De veehouders zijn blij met de prestaties. “Een zeer hoge melkproductie vergt veel van een koe en dat brengt ook weer meer kosten met zich mee. We hebben lieven dat de koeien het langer volhouden.” Inmiddels hebben zes koeien op het bedrijf een levensproductie van 100.000 liter gehaald en zijn er twee koeien van veertien jaar die die grens bijna passeren, laat de veehouder trots weten.
“Wij sturen vooral op rendement. Het verhogen van de melkproductie op zich leidt niet altijd tot het gewenste resultaat.

Bron: PlattelandsPost
Tekst en foto’s Durkje Hietkamp
augustus 2010 nr: 7